Ergowijs

Opent deuren naar informatie.
[ Inka Logister-Proost ]

Inhoudsmodellen

Het model/raamwerk

Beschrijving
Theoretische onderbouwing
Assessments

Handelen 
Persoon-activiteiten-omgeving

Canadian Model of Occupational Performance and Engagement (COPM-E) (Polatajko, 1997, 2002, 2007)

Hoofdstuk 15

De COMP-E is een doorontwikkeling op de CMOP. 

Referentiekader:
CMOP biopsychosociaal,
CMOP-E tendeert naar socioecologisch
humanistisch

Beschrijving:

Driedimensionale weergave van de relatie tussen een persoon met drie componenten van het handelen (performance components), drie handelingsgebieden  en de omgeving met vier elementen.
Focus ligt op de uitvoering van (performance) en het betrokken zijn bij (engagement) het handelen.

Plaatst de persoon in een sociale context

Theoretische onderbouwing:

PEO
Omgevingspsychologie
Sociale wetenschap
Human ecology

Assessments:

Canadian Occupational Performance Measure (COPM)

Handelen:

Conceptualiseert de uitvoering van het handelen en de betrokkenheid bij het handelen als de dynamische interactie tussen persoon, activiteit en rollen in relatie met de omgeving en leven/werken/spelen.


Persoon:
Uitvoer en betrokkenheid: cognitief, affectief en fysiek
Essentie van de persoon: spiritualiteit

Activiteiten:
Zelfzorg, productiviteit en vrije tijd

Omgeving:
Fysiek, sociaal, cultureel en institutioneel.

The Model of Human Occupation (MOHO) (Kielhofner, 1985, 1995, 2002, 2008)

Hoofdstuk 16

Vierde editie

Referentiekader:
Biopsychosociaal
humanistisch

Beschrijving:

Sleutelprincipe waarbij de mens als dynamisch systeem gezien wordt. Drie systemen in interactie met de omgeving: Volition, Habituation, Occupational performance, capacity and skills


Therapie richt zich op betrokkenheid in handelend gedrag dat capaciteiten, motivatie en leefstijl herstelt, behoudt, reorganiseert of ontwikkelt

Theoretische onderbouwing:

Sociologie
Sociale psychologie
Ergotherapieliteratuur uit vroegere periodes

Assessments:
Occupational Performance History Interview (OPHI-II)
Model Of Human Occupation Screening Tool (MOHOST)
Interest Checklist
Role Checklist
Volitional Questionnaire (VQ)
Worker role interview (WRI)
Occupational Self Assessment (OSA) (volwassenen) 
Self Assessment Occupational Functioning (SAOF) (kinderen)
En meer

Tevens een aantal interventieprogramma's

Handelen:

motivatie, uitvoering en organisatie van gedrag gericht op alledaags handelen

Persoon:
Volition: persoonlijke competentie, waarden en interesse

Habituation:
gewoonten, rollen

Performance capacity:
fysieke en mentale capaciteiten, subjectieve ervaringen

Omgeving:

Fysiek (natuurlijk & door de mens gemaakt), Sociaal (groep met gemeenschappelijke activiteit & rolgebonden acties, sociale context)

Handelen neemt sociale en fysieke ruimte in

Occupational Therapy Practice Framework (OTPF) (AOTA, 2002, 2008)

Hoofdstuk 18



Tweede herziene versie

Beschrijving:
De eerste sectie van het OTPF schetst het Domein: het professionele bereik waarbinnen de ergotherapeut kennis en expertise heeft. Het Domein van de ergotherapie geeft richting aan de focus op het handelen: het resultaat van de dynamische samenhang tussen de persoon, de context en de activiteiten. Hoewel het Domein afzonderlijk worden beschreven, is het met de tweede sectie - het Proces - onlosmakelijk verbonden.

Het OTPF is geen model, slechts een raamwerk

Theoretische onderbouwing:
Occupational science

Assessments:
Geen

Handelen:
Volgens het Framework gebruikt ergotherapie de term ‘handelen’ voor ‘dagelijkse activiteiten’ in de breedste betekenis van het woord. Handelen is multidimensionaal en complex.

Persoon-activiteiten-omgeving:
De cliënt kan een persoon, organisatie of populatie zijn

Alle zes aspecten van het Domein zijn gelijkwaardig, er is geen hiërarchie. Er is interactie tussen alle aspecten en deze beïnvloeden de betrokkenheid van de cliënt in zijn handelen, participatie en gezondheid. In die zin zijn persoon-activiteiten-omgeving en het handelen met elkaar verweven.

Kawa Model (Iwama, 2006)

Hoofdstuk 17

Conformeert niet naar Westerse gezondheidsmodellen


Referentiekader:
Multicultureel
Humanistisch

Beschrijving:

Een algemeen bekend fenomeen – de rivier – wordt gebruikt als metafoor om subjectieve kijk op zelf, het leven, welzijn en de betekenis van het handelen te vertalen.

Individuele leven is gepresenteerd in een metafoor: een rivier (Kawa)

Stenen

Oever en bodem rivier = omgeving

Drijfhout = mogelijkheden en beperkingen

Gericht op vergroten levensstroom en in staat stellen tot stromen.

Gebeurtenissen en dingen identificeren die invloed hebben op de stroom en streven naar optimale staat van welzijn, dus een sterke, diepe ongeremde stroom

Theoretische onderbouwing:

Oosterse theoretische principes over:
Harmonie
Natuur
Welzijn

Assessments:
Geen

Handelen:
de rivier is het leven, het handelen is het stromen (flow). Zonder stromen is er geen water, zonder handelen is er geen leven. Levensstroom, levensenergie. De expressie van leven, het bewijs van ‘levend zijn’.
De ruimte tussen de omgeving, omstandigheden, bronnen en verplichtingen, wordt gevuld met het water (het leven) en stroomt (handelen).
 De mate van stromen bepaalt de kwaliteit van leven. Niet te scheiden van alle aspecten in de brede context.

Persoon:
Individuen of collectief en hun omstandigheden. De persoon is ingebed in een bredere context als onderdeel van het omringende milieu; niet te scheiden en in relatie met elkaar.

Omgeving:
Benoemd en weergegeven door de persoon als de context waarin hij deel is. De oever en bodem van de rivier, tezamen met andere structuren bepalen de vorm en betekenis van het handelen.


Person-Environment-Occupation-Performance (PEOP) (Christiansen en Baum, 1991, 1997, 2005, 2012)

Hoofdstuk 19

Referentiekader:

Biopsychosociaal Neurobehavioral

Beschrijving:
Het PEOP model gaat uit van een dynamische wederzijdse interactie tussen de persoon, de omgeving en het handelen, stelt de cliënt centraal in het interventieproces en therapie-uitkomst, gerelateerd aan welbevinden en kwaliteit van leven.

Focus ligt op factoren die relevant zijn voor het handelen en voor deelname aan het maatschappelijk leven en biedt middelen voor interventie.

Participatie en handelen staan centraal en vraagt om activiteiten en de uitvoer daarvan te begrijpen en met elkaar te linken.

Theoretische onderbouwing:
Occupational science

Omgevingstheorieën
Psychologie
Fysiologie
Zingevingstheorieën

Assessments:
Geen

Handelen wordt bepaald door uitvoer van activiteiten, taken en rollen, maar ook door karakteristieken van de persoon (intrinsieke factoren) en de context (omgeving: extrinsieke factoren)

Basisveronderstellingen t.a.v. het handelen:
- mensen zijn van nature gemotiveerd hun wereld te ontdekken en hier greep op te krijgen;
- situaties waarin mensen succes ervaren geeft een goed gevoel over zichzelf en motiveert hen tot nieuwe uitdagingen.

Persoon:
Zowel de persoon als de omgeving ondersteunen elkaar en maken het handelen mogelijk.

Spiritualiteit

Activiteiten:
Wat mensen willen en nodig hebben om te doen in hun dagelijks leven.

Hiërarchie van activiteitengerelateerd gedrag en mogelijkheden: rollen, doelgericht gedrag, taken, acties, mogelijkheden

Omgeving:
Sociale steun, sociale en economische systemen, gebouwde omgeving en technologie, natuurlijke omgeving, cultuur en waarden.

Person-Environment-Occupation (PEO) (Law, 1996)

Hoofdstuk 19

Referentiekader:
Primair biopsychosociaal met socioecologische elementen

Beschrijving:
PEO Model bestaat uit drie elkaar overlappende cirkels (Person-occupation-environment)

De focus van het PEO model ligt bij het mogelijk maken van het handelen en het vergroten van de PEO fit: hoe groter de fit (occupational performance), hoe meer harmonie en tevredenheid de cliënt in zijn handelen zal ervaren.
Nauwe relatie met het PEOP model en het OTPF

Theoretische onderbouwing:
Omgevingstheorieën

Occupational science
Sociologie
Ergonomie

Assessments:
Geen

Handelen: 
complex en dynamisch fenomeen, continu beinvloed door ruimte en tijd.
de PEO fit veronderstelt dat de drie componenten voortdurend met elkaar interacteren.

Persoon:
Uniek wezen, dynamisch en gemotiveerd , ontwikkelt zich blijvend en is in voortdurende interactie  met zijn omgeving. Rollen, eigenschappen en levenservaring, geleerde en aangeboren vaardigheden

Uitvoering van activiteiten en taken zijn tegemoetkomingen aan de individuele intrinsieke behoefte van de mens (zelfbehoud, zichzelf uitdrukken) en in de context van zijn persoonlijke rollen en omgeving.

Omgeving:
Cultureel, Socio-economisch, institutioneel, fysiek, sociaal (persoon, huishouden, buurt en maatschappij). Kan het handelen enerzijds mogelijk maken en anderzijds negatief beïnvloeden.

Occupational Adaptation Model (Schultz en Schkade, 1992, 1997, 2001, 2003, 2009)

Hoofdstuk 19

Referentiekader:
Biopsychosociaal
Integratie occupation en adaptatie

Beschrijving:
Het OA Model beschrijft de integratie van twee concepten: occupation (handelen) en adaptation (aanpassen).

Theoretische onderbouwing:
Ontwikkelingstheorieën

Psychologie
Copingstheorieën

Assessments:
Geen

Occupational Adaptation guide to practice

Occupational Adaptation is het proces waarin interactie plaats vindt tussen de persoon (desire for mastery)  en de omgeving (demand for mastery) waarbinnen de persoon handelt. Hierbij horen bepaalde rollen en rolverwachtingen (occupational role expectations)  die het handelen van de persoon en zijn omgeving beïnvloeden.

Persoon bestaat uit sensomotorische, psychosociale en cognitieve elementen, wenst aangepast te kunnen handelen en greep te krijgen op dit handelen.

Omgeving (fysiek, sociaal en cultureel) vereist en verwacht dat de persoon aangepast kan handelen

Activiteiten:
handelingsgebieden: werk, zelfzorg en vrije tijd.

Occupational Performance Model  Australia (OPMA) (Chapparo en Ranka, 1997)

Hoofdstuk 19

Referentiekader:
Biopsychosociaal

Beschrijving:
OPMA Model bestaat uit 8 bouwstenen en een aantal elementen. De pijlen in het schema verwijzen naar mogelijke verbanden tussen de bouwstenen.

De focus van het OPMA Model is m.n. handelingsgericht en gaat uit van veronderstellingen t.a.v. het handelen (occupation), het uitvoeren van de handelingen (performance), de mens als een zelforganiserend systeem.

Theoretische onderbouwing:
Occupational science
Systeemtheorieën

Assessments:
Perceive, Recall, Plan and Perform (PRPP)

Handelen: 
meer dan alleen doen (doing), ook knowing en being als belangrijke fundamentele humanistische concepten.

Persoon:
individu, groep, gemeenschap, of de maatschappij

Activiteiten:
Routine, taken en subtaken. Zelfzorg, productiviteit/school, vrije tijd/spel en rust.

Omgeving:
sensorische, fysische,sociale en culturele dimensies in relatie tot tijd en ruimte.

Bieler Model (Nieuwesteeg-Gutzwiller, 1998, 2010)

Hoofdstuk 19

Referentiekader:
Cognitief, psychosociaal

Beschrijving:
Focus op ontwikkeling, behoud en/ of  herstel van de handelingsbekwaamheid van de mens met handelingsproblemen

Theoretische onderbouwing:
Handelingstheorieën

Assessments:
Aantal werkinstrumenten

Handelen:
handelingen zijn: doelgericht en bewust, motiveren, structureren, kunnen worden vastgesteld door de persoon zelf of de ander, vormen omgeving en persoon.

Cognitive Disability Model (Allen, 1992)

Hoofdstuk 19

Referentiekader:
Neurologisch, cognitief

Beschrijving:
Globale kijk op cognitieve problematiek; onderscheidt zes functionele niveaus

Accent op de concrete gevolgen van cognitieve problemen in het dagelijks handelen.

Theoretische onderbouwing:
Ontwikkelingspsychologie
Neurologie

Assessments:
Allen Cognitive Level Screen (ACLS)
Routine Task Inventory - expanded (RTI-expanded)
Cognitive Performance Test (CPT).

Handelen:
Welke handelingsbeperkingen en handelingsmogelijkheden. Zelfstandigheid en behoefte aan begeleiding


Ergotherapie inhoudsmodellen en raamwerken (Polatajko, 2007, Turpin, 2011) [IeF1] , samenstelling door Logister en Kinébanian Tabel 14.4 in H14 Begrippen begrijpen in Grondslagen (2012)

Procesmodellen

Procesmodel

Procesbeschrijving

Bijzonderheden

Canadian Process Practice Framework (CPPF) (Craik, 2007)

Hoofdstuk 15

Spiraalvormig

Het proces bestaat uit acht  actiepunten (actionpoints)met sleutelvaardigheden om het handelen mogelijk te maken (key enablement skills) en acties (actions):

enter/initiate
set the stage
assess/evaluate
agree on objectives and plan
implement the plan
monitor and modify
evaluate the outcome
conclude/exit

Opvolger van het Occupational Performance Process Model (OPPM)

Een framework gebaseerd op enablement, uitgangspunten cliëntgericht, evidence-based en occupation-based staan centraal.

Het ergotherapieproces bestaat uit vier elementen: de maatschappelijke context, de praktijkcontext en de theoretische kaders. Het vierde element is procesgericht (acht actiepunten) en geeft vorm aan het proces van occupational enablement.

Doelgericht en generiek en kan gebruikt worden met de cliënt als individu, gezin, groep, gemeenschap, organisatie en populatie. (van Hartingsveldt, 2008)

Het proces van therapeutisch redeneren behorend bij The Model of Human Occupation (MOHO) (Kielhofner, 2008)

Hoofdstuk 16


Cyclisch maar kan ook spiraalvormig toegepast worden



Het proces van therapeutisch redeneren bestaat uit zes stappen:

1. Genereer vragen voor het redeneerproces en gebruik deze
2. Verzamel met gestructureerde en ongestructureerde methoden informatie over en met de cliënt
3. Ontwikkel een opvatting over de situatie van de cliënt, waarin zijn sterke kanten betrokken worden en zijn problemen/uitdagingen
4. Benoem de doelen (d.w.z. de verandering die de cliënt wil bereiken) en maak een therapieplan (d.w.z. betrokkenheid van de cliënt bij het handelen en de therapeutische strategieën)
5. Voer de therapie uit en evalueer deze
6. Verzamel informatie om het resultaat van de therapie te bepalen (d.w.z. de mate waarin de cliënt zijn doel heeft bereikt)

De cliënt is een bron van informatie en werkt samen met de therapeut.

In de derde editie beschreef Kielhofner vier fasen in het therapeutisch redeneren. In de vierde editie onderscheidt hij zes stappen zoals hiernaast weergegeven.

De therapeutic reasoning table biedt een overzicht van vragen, sterkten, problemen/uitdagingen, veranderingen, betrokkenheid in het handelen en therapeutische strategieën.

Occupational Therapy Practice Framework (OTPF) (AOTA, 2008)

Hoofdstuk 18

LIneair

Het Proces bestaat uit:

evaluation: handelingsprofiel en analyse van het handelen

intervention: interventieplan, implementatie interventie, interventiereview

outcome: gezondheid en participatie door betrokkenheid in het handelen

Continueer het onderhandelen over interventieplan en gewenste uitkomsten
Continueer interactie tussen evaluatie, interventie en uitkomsten, gedurende het gehele proces

Tweede herziene versie

De tweede sectie van het OTPF schetst het dynamische cliëntgecentreerde ergotherapieProces gericht op het handelen (Process).

Domein en Proces van de ergotherapie geeft richting aan de focus op het handelen. Hoewel het Proces afzonderlijk worden beschreven, is het met de eerste sectie - het Domein - onlosmakelijk verbonden in een transactionele relatie.
Samenwerking tussen de ergotherapeut en de cliënt staat centraal binnen de interactieve aard van de geleverde diensten.

Application to Practice
behorend bij KAWA Model
(Iwama, 2006)

Hoofdstuk 17

Cyclisch maar  kan ook

Spiraalvormig toegepast worden



Het proces bestaat uit zes stappen:

Step one: Appreciating the client in context

Step two: Clarifying the context

Step three: Prioritizing issues according to client’s perspective

Step four: Assessing focal points of occupational therapy intervention

Step five: Intervention

Step six: Evaluation


Occupational Therapy Intervention Process Model (OTIPM) (Fisher, 2009)

Hoofdstuk 19

Cyclisch

Establish client-centered performance context

Identify resources and limitations within client-centered performance context
Identify and prioritize reported strengths and problems of occupational performance

Observe client’s task performance and implement performance analysis

Define and describe actions the client does and does not perform effectively

Define/clarify or interpret cause
- select restorative model
- select acquisitional model
- select compensatory model
- select model for education and teaching

Reevaluate for enhanced and satisfying occupational performance

De therapeutische relatie loopt door het hele proces, parallel aan het ergotherapieproces (Develop therapeutic rapport and collaborative relationships).

De AMPS of School AMPS gecertificeerde ergotherapeut kan met het grafisch rapport, waarop de bekwaamheidsniveaus voor de motorische en de procesvaardigheden worden weergegeven, een indicatie vormen waarop de ergotherapie zich dient te richten.

Adviesfasenmodel (Heijsman, 2007)

Genoemd in hoofdstuk 20

Cyclisch

Het model bestaat uit vier fasen en acht bijbehorende stappen:

0. Adviesvraag

I. Probleemanalyse
1. Verhelderen van de adviesvraag
2. Vaststellen samenwerking(scontract)
3. Analyseren van het probleem

II. Probleemdefiniëring en planning
4. Definiëren probleem en formuleren doelstellingen
5. Verkennen en vaststellen van oplossingsrichtingen
6. Opstellen plan van aanpak

III. Uitvoering
7. Uitvoeren en bijstellen plan van aanpak

IV. Evaluatie en nazorg
8. Beheren, borgen en evalueren

Na voortschrijdend inzicht is het Adviesfasenmodel een uitwerkingen van het eerder gepubliceerde Adviesmodel (Heijsman, 1999) en Adviesfasenmodel (Driessen, 2006).

Geschikt voor alle adviessituaties voor alle ergotherapeuten in verschillende rollen en praktijkcontexten.

Algemene probleemoplossende en projectmatige manier van werken met parallel daaraan deelstrappen met specifieke, ergotherapeutische inhoud. (Heijsman, 2007)

Er bestaan verschillende adviesfasenmodellen van diverse auteurs met een eigen indeling, accenten en/of verbijzondering van deelfasen. Allen zijn variaties op de beschrijving van een algemeen proces van probleem oplossen. (Heijsman, 2007)


Ergotherapie procesmodellen, schema’s en een fasenmodel die veel gebruikt worden door ergotherapeuten. Samenstelling door Logister en Kinébanian.Tabel 14.5 in H14 Begrippen begrijpen in Grondslagen (2012)